De keizer van Rome veroordeelt zijn enige zoon ter dood, omdat de jongeman zijn stiefmoeder, de keizerin, zou hebben verkracht. De keizerin vertelt op zeven opeenvolgende dagen een verhaal om het vonnis te doen uitvoeren. Daarop probeert ieder van de zeven wijze leermeesters van de jongen één dag uitstel van executie te krijgen door een verhaal te vertellen als antwoord op het verhaal van de keizerin. Na zeven dagen, als iedereen zijn zeg heeft gedaan, krijgt de keizerszoon het woord en komt de waarheid aan het licht... Dat is de synopsis van een deels uit het Oosten afkomstige middeleeuwse verhalencyclus. De verhalen waren in talloze volkstalen in omloop en bleven zowel in handschriften als in druk bewaard.
Een van de oudst bekende getuigen daarvan is de 13de-eeuwse Middelnederlandse tekst ‘Van den Seven Vroeden van binnen Rome’, ‘Van de zeven wijzen van Rome’. De tekst is een Middelnederlandse vertaling op rijm van een Oudfranse tekst in proza en staat in een 14de-eeuws in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel bewaard handschrift, dat geen autograaf is. De tekst was immers al bekend bij Jakob van Maerlant voor het einde van de 13de eeuw.
Medio-neerlandica Ingrid Biesheuvel, die haar sporen verdiende met talloze degelijke en goed ontvangen vertalingen uit het Middelnederlands, heeft de Dietse rijmtekst omgezet in hedendaags Nederlands proza, want de verhalen verdienen zeker een voortleven.
Biesheuvel geeft een korte inleiding over de literairhistorische achtergronden. De tekst van de hand van een anonieme dichter was in eerste instantie bedoeld om verteld te worden. De verhalen, die in de tweede helft van de 13de eeuw uit het Oudfrans vertaald zijn in het Middelnederlands, kaderen in een raamvertelling. Daarbij vormt één verhaal de omlijsting voor verschillende andere verhalen. Het motief van verhalen te vertellen om iemand het leven te redden (de zeven leermeesters) of ter dood te veroordelen (de keizerin) is bekend uit de beroemde in het Midden-Oosten ontstane raamvertelling van ‘Duizend-en-één-nacht’. Biesheuvel doet vervolgens zeer beknopt het nogal ingewikkelde relaas over het ontstaan en de verspreiding van de verhalen doorheen tijd en ruimte uit de doeken. De bakermat van enkele, niet alle verhalen lag in het Oosten. De verhalen bereikten via mondelinge overlevering West-Europa en werden vertaald en bewerkt in talloze volkstalen. De onderlinge verhoudingen tussen die talloze versies zijn complex. Biesheuvel wijst er ten slotte op dat een Oudfranse prozatekst vertalen in Middelnederlands op rijm geen soepel lopend Diets opleverde, wat van de Middelnederlandse tekst meer een bewerking maakte.
Achteraan verantwoordt Ingrid Biesheuvel haar vertaling en haar vertaalkeuzes. Ze beoogde een vrije vertaling in proza voor een breed lezerspubliek dat de verhalen wil leren kennen. Daarin is ze zeker geslaagd. Haar vrije prozavertaling is soepel en vlot leesbaar en wekt in elk geval de interesse voor deze verhalencyclus, die een inkijk geeft op het middeleeuwse beeld van en de mentaliteit tegenover vrouwen.
Een kleurenafbeelding van het begin van het verhaal in het Brusselse handschrift en de speciaal voor deze vertaling gemaakte kleurenillustraties in een 3de-4de-eeuwse setting van Fred Marshall verluchtigen deze door Walburg Pers fraai uitgegeven vertaling.