Het spanningsveld tussen literatuur en werkelijkheid blijft dichter Frank Pollet intrigeren. Aan zijn bundel ‘milde.DWNGHNDLGN’ (te lezen als: ‘milde dwanghandelingen’) gaat een gedicht vooraf dat uitmondt in het categorisch gestelde ‘Ik ben een gedicht’. Pollet benadrukt het fictieve karakter van wat verder in de bundel aan bod zal komen, met weer die paradox: ‘[ik] stapel woorden in mijn eigen logica’, maar ‘toch ben ik alles / behalve het toeval’. En wat zeker opvalt: Pollet herneemt het gedicht, met een minieme wijziging in het openingsvers (‘Ik ben niet gek’ wordt nu ‘Ik ben geen non’) als intro bij zijn bundel ‘Ik, zuster Gabrielle!’ (2026).
Voor de titel van zijn bundel met de opmerkelijke woordaanpak vond Pollet inspiratie bij Louise Bourgeois die er tijdens haar vele slapeloze uren een teken-dagboek op nahield, dat ze ‘milde dwanghandelingen’ noemde. Van dwangmatige handelingen, het ‘moeten’ en telkens weer ‘moeten’ , staan verder in de bundel meerdere voorbeelden: iemand wil alleen met zijn linkervoet spinnen pletten, een ander moet het licht tweemaal uitdoen voor hij gaat slapen… Routineuze gewoontes, die wortelen in het verstoorde brein van mensen die dreigen alle vat op de werkelijkheid te verliezen. ‘Er komt geen einde aan / de Moetenstraat, de Dwangstraat en de Noodzaklaan’ staat tot tweemaal genoteerd als opening van ‘Wat moet dat?’ – 1 en 2, alleen in de woorden van het gedicht blijft de mogelijkheid aanwezig de dwangmatigheden in een ‘milde’ vorm te gieten. Zo dient zich de ander aan, de geliefde, of is het dan toch de poëzie?: ‘Alleen jij // neemt en leest mij / en voorkomt dat ik me snijd // aan mijn eigen hart van glas.’ Of neem het gedicht ‘Schatbewaarder’, dat weet te raken door zijn eenvoud: ‘Vandaag stop ik je weer in / een doosje / met fluwelen binnenzij. Je bent rond / en van goud, schat. En // van mij // van april / van heel // lang geleden.’
Onder de titel ‘Een overdosis nevel’ staat een aantal gedichten bijeengebracht die in hun onderlinge samenhang de poëtica van Pollet in kaart brengen. ‘Poëzie is voorzichtigheid, vol van genade / strelen over langzaam papier / en denken aan salontafels, nachtkastjes / en twaalf zeer zachte lezers.’ (uit: ‘Op zoek naar geluk’). Hoe sterk contrasteert dan deze stellingname met het ‘Weg met de poëzie’-gedicht, waarin de a- en anti-poëticale houding van machthebbers wordt gelaakt: ‘Ik ben een politieker – / slogans zijn de max.’
De slotafdeling van de bundel heeft als titel ‘PennenStreek’. De schrijfwijze hier suggereert dat het om een soort PS, een post scriptum bij de bundel zou gaan. Pollet verwijst er, onder meer in de titels van de afzonderlijke gedichten, naar zijn auteursresidentie in het Lijsternest van Streuvels. En evengoed wordt een bijkomend intertekstueel spel opgevoerd, van ‘is het triestig dat het regent onderweg’ tot en met ‘Ik ben een goddelijk panorama / en lig in ‘t binnenst van mijn ziel / tentoon.’
De ‘milde.DWNGHNDLNGN’ maken hoe dan ook indruk op de lezer.