Nicolaas Beets is onlosmakelijk verbonden met zijn ‘Camera Obscura’ (1839), de bundel schetsen en verhalen, die hij op 25-jarige leeftijd, op de grens van zijn studententijd en predikantschap, onder het pseudoniem Hildebrand publiceerde. Geen ander Nederlands boek uit de 19de eeuw werd zo vaak herdrukt. Maar Beets was veel meer, zoals Rick Honings overtuigend laat zien in ‘God, gezin en vaderland. De eeuw van Nicolaas Beets (1814-1903)’.
De auteur is neerlandicus, Scaliger-hoogleraar aan de Universiteit Leiden en een specialist in de 19de-eeuwse Nederlandse en de Nederlands-Indische literatuur. Eerder schreef hij ‘De ontdekking van Insulinde. Op reis in Nederlands-Indië in de negentiende eeuw’ (2023) en samen met zijn mentor de vorig jaar overleden Peter van Zonneveld de bekroonde biografie ‘De gefnuikte arend. Het leven van Willem Bilderdijk’ (2013).
Nicolaas Beets was dichter, schrijver, predikant en hoogleraar godgeleerdheid. Zijn leven bestreek heel de 19de eeuw. Hij hield zijn leven lang vast aan de burgerlijke idealen uit zijn jeugd. Mede daardoor groeide hij uit tot een nationaal icoon. In hem zagen velen de Hollandse deugden weerspiegeld, zoals godsvrucht, gematigdheid, vaderlandsliefde, huiselijkheid en oranjegezindheid.
Honings wil Beets’ leven dan ook in relatie met zijn tijd beschrijven. Beets zat als een spin in het web van de 19de-eeuwse maatschappelijke, religieuze en culturele wereld en ging om met de belangrijkste mensen van zijn tijd. Door de nauwkeurigheid waarmee hij zijn leven boekstaafde, is hij niet alleen een chroniqueur van zijn eigen leven, maar van de hele 19de eeuw. Honings putte uit Beets’ rijke archief, dat na zijn dood in Leiden terechtkwam.
Hij bouwt zijn boek chronologisch op in vijf delen: opgroeien in Haarlem (1814-1833), studentengenot in Leiden (1833-1839), predikantschap in Heemstede (1839-1854) en ten slotte predikantschap in Utrecht (1854-1873) en later aldaar hoogleraar (1874-1903).
Honings laat goed Beets in zijn tijd zien. Beets dreef in zijn ‘Camera Obscura’ dan wel liefdevol de spot met de Biedermeiercultuur van zijn jeugd, maar koos toch voor het burgerlijk bestaan, in een tijd waarin Nederland zich ontwikkelde in een richting die niet de zijne was, waardoor hij enigszins buiten de tijd kwam te staan. Terwijl Nederland transformeerde, bleef Beets vasthouden aan de idealen uit zijn jeugd: God, gezin en vaderland. Honings beschrijft goed Beets’ interactie met de hem omringende wereld. Daarmee is het boek een cultuurgeschiedenis van de 19de eeuw, die ook oog heeft voor de late Beets: de predikant, hoogleraar en dichter, die in het onderzoek veronachtzaamd zijn.
In de epiloog wijst Honings op de sleutelmomenten in Beets’ leven en schetst hij zijn karakter: zijn zucht om hogerop te komen, zijn blije geest niettegenstaande veel leed in zijn persoonlijk leven, een getalenteerd, maar soms gemakzuchtig dichter, een diepgelovige en vertroosting biedende dominee, een gezellige, maar strenge vader en een echtgenoot die weinig ruimte gaf aan de twee vrouwen, waarmee hij wel gelukkig getrouwd was.
Het boek met leeslint is geïllustreerd met goed geduide kleurenafbeeldingen. Noten, bibliografie en een persoonsnamenregister vervolledigen deze cultuurhistorische biografie, die een prachtig beeld geeft van Beets in de context van een zich transformerend Nederland.