In de 18de eeuw was de Habsburgse dynastie één van de belangrijkste, zoal niet de belangrijkste van Europa. Via huwelijkspolitiek hadden de Habsburgers steeds meer grondgebied en invloed in Europa gekregen, wat het gezegde deed ontstaan: ‘Bella gerant alii, tu felix Austria nube’, ‘Laat anderen oorlog voeren, jij gelukkig Oostenrijk trouwt.’ De Habsburgers bezaten dan ook uitgebreide gebieden in Midden-Europa, op de Balkan en het Italische schiereiland, evenals de Oostenrijkse Nederlanden en bovendien was sinds de late middeleeuwen onafgebroken een Habsburger tot keizer van het Heilig Rooms Rijk gekozen. In 1748 wist Maria-Theresia (1717-1780), aartshertogin van Oostenrijk en koningin van Hongarije, na acht jaar oorlog haar vader Karel VI (+1740) op te volgen als hoofd van de dynastie en heerseres van het Habsburgse rijk. Al in 1745 had ze haar echtgenoot Frans Stefaan van Lotharingen tot keizer kunnen laten verkiezen, zodat zijzelf keizerin werd. Het paar kreeg zestien kinderen, van wie er in 1764 nog elf in leven waren, vier zonen en zeven dochters. Getrouw aan de Habsburgse traditie moesten haar dochters dienen als pionnen in het diplomatieke schaakspel en liefst gekoppeld worden aan prinsen van het huis Bourbon, zowel de Franse als de Spaanse tak, ter versteviging van de Habsburgs-Franse alliantie.
Veronica Buckley volgt die zeven dochters in ‘Zeven Habsburgse zussen. Een roemrucht vorstenhuis in revolutionair Europa’. De auteur, geboren in Nieuw-Zeeland en gevormd in Engeland, schreef eerder al een biografie over de 17de-eeuwse koningin Christina van Zweden en over Madame de Maintenon, de laatste minnares en tweede eega van Lodewijk XIV en, samen met haar echtgenoot Philipp Blom, een aantal fotoboeken.
Na een kennismaking met de Habsburgse dynastie, vertelt Buckley het wel en wee van de zeven Habsburgse aartshertoginnen van jaar tot jaar in eenendertig hoofdstukken, die als titel een enkel of twee jaartallen hebben en een omschrijving in een zin. Het boek wordt zo een kroniek van zeven zussen, zeven dochters, vier echtgenotes, drie moeders, twee koninginnen en twee abdissen: de zoekende Marianna, de grande dame Marie Christine, de verminkte schoonheid Elisabeth, de dwarsligger Amalia, de tragische bruid Josepha, de energieke koningin van Napels en Sicilië Carolina en de onfortuinlijke Marie-Antoinette, terechtgesteld in de Franse Revolutie. Buckley biedt daarmee een inkijk in de geprivilegieerde, maar tegelijkertijd ingeperkte wereld van vrouwen uit de hoge adel in de jaren 1760-1815 en een panorama van de internationale politiek in een revolutionaire era.
Buckley verwerkte een enorme hoeveelheid bronnen tot een leesbare verhalende geschiedenis. Wel zal haar interpretatie van de religieuze attitude van Maria-Theresia als sterk beïnvloed door het jansenisme niet door elke historicus gedeeld worden. In de stamboom vooraan ontbreken de broers, terwijl die in het wel en wee van hun zussen een enorme rol speelden. Ook kaarten ontbreken, wat lastig is, want dynastieke verbintenissen en aanspraken betroffen op de eerste plaats territoria. Een kleurenkatern, een bibliografie van ongepubliceerde en gepubliceerde primaire en van secundaire bronnen en noten vervolledigen deze verhalende ‘aartshertoginnenkroniek’ in een revolutionair tijdsgewricht.