Met ‘Morren tegen de sterren’ toont Luuk Gruwez nog maar eens hoe voldragen en haast tot de perfectie afgewerkt zijn vakmanschap als dichter is. Het bouwwerk van de bundel omvat zes harmonisch uitgewerkte afdelingen, de gedichten zijn apart opgebouwd uit strak in de hand gehouden strofes, met een uitgesproken voorkeur hier voor het kwatrijn, in een beperkt aantal gevallen terugvallend op de terzine of het kwintet, met in een al even beperkt aantal gevallen een losstaand slotvers dat de aan bod komende thematiek in het gedicht in perspectief plaatst. En verder is er het hele spectrum van poëticale stijlmiddelen die kleur geven aan de verzen: de paradox (misschien wel hét kenmerk van de verzen van Gruwez, denk bijvoorbeeld terug aan de bundels uit zijn debuutperiode, ‘De feestelijke verliezer’, of ‘Een huis om dakloos in te zijn’), enjambementen, assonanties in binnen- en eindrijmen, allitteraties… Ze lopen over en doorheen de verzen, zonder ook maar één keer de indruk te wekken van gezochtheid. Gruwez behoort duidelijk tot een generatie van dichters die gestaag aan de opbouw van een oeuvre hebben gewerkt, zonder daarbij toe te geven aan de vernieuwingsdrang die door andere dichters vaak onterecht als originaliteit wordt aangezien.
Het moge duidelijk zijn: ‘Morren tegen de sterren’ is een op en top herkenbare Gruwez, niet enkel vanuit formeel oogpunt, maar even nadrukkelijk door de thematische lijnen die worden uitgetekend. In zijn gedichten zoekt Gruwez – tegen beter weten in – een schuiloord tegen de vergankelijkheid: ‘Blijf desnoods, ook al ben je allang uitgebazuind, / glimmen als een glimworm die diep in de nacht / meent dat hij, hoe minnetjes ook, de wereld kan verlichten.’ (uit: ‘Wenken voor de laatste zucht’) De gevoelsstroom binnen de gedichten meandert tussen ‘Wel of niet’ (de titel van een van de gedichten), ook waar het de liefde betreft: ‘Maar nu ik je / in je halfduister ontwaar, doezelend konijntje / van me, nu ik luister of nog lucht in je longen / zit, vraag ik me af: ben je er nu wel of niet?’ En weer, aansluitend bij vorige bundels en prozaboeken, blijkt hoe intens de ik gericht is op het verzamelen en het bewaren van wat uiteindelijk gedoemd is te verdwijnen. Zo staat in het openingsgedicht van de bundel te lezen: ’wij wilden het meest behouden / wat wij niet eens hadden weten te verwerven.’ Gruwez heeft het over de vaderfiguur, ‘tot hij met al zijn erfelijk vlees kilo na kilo weer netjes / toonbaar wordt opgeblonken voor de wereld, mijn moeder’ (uit: ‘Gezinshereniging’), over zijn moeder (‘De hele tijd bestond ik niet enkel / uit mij, maar ook uit haar van wie ik lang voor / haar finale al wist: nooit is zij door mij nog in te halen’ (uit: ‘Reünie’). In wezen is het de dichter hierop te doen met zijn schrijven: ‘Tijd om nog snel / de edelste van alle kunsten te beheersen: / leren missen.’ (uit: ‘Evacuatie II’)
En voor wie gedacht had dat voor Luuk Gruwez met zo’n indrukwekkend geheel van publicaties de finale in zicht is, de slotverzen van de bundel: ‘Maar u verzekeren dat ik zal zwijgen: / ik kan het niet, ik kan het niet.’