In die ene zin die hem treft in het proza van Annie Ernaux vat Benno Barnard samen wat zijn dagboek ‘Het raadsel van de anderen’ voor hem inhoudt: ‘Ik heb zo weinig de indruk dat ik beleef wat ik beleef, dat ik het opnieuw moet beleven om het eindelijk te beleven… Daarom schrijf ik dus dit dagboek.’ (p. 219) Wat ogenschijnlijk de vorm aanneemt van een dagboek – met aanduiding van dag en maand, en dit vanaf 30 januari 2022 – groeit allengs uit tot het beklijvende verhaal dat Barnard van zijn leven maakt. Hoe hij grotendeels teruggetrokken leeft in het dorpje Brede (Sussex), hoe hij van daaruit de wereld en wat die te bieden heeft verkent en exploreert met onder meer de verschillende bezoekjes die hij brengt aan zijn zoon Christopher die met zijn gezin in Amerika woont… Er zijn verder de overtalrijke verwijzingen naar de boeken die leest en becommentarieert en in wezen een uitnodiging inhouden aan het adres van de lezer om die zelf ook ter hand te nemen… Maar dit is alles schijn, zijn boek is en blijft – ik citeer hier Cees Nooteboom, een van de weinige auteurs uit ons taalgebied die hij blijvend hoogacht - een ‘lied van schijn en werkelijkheid’. Barnard verwijst naar de woorden van Nobelprijswinnaar John Fosse die benadrukte dat hij niet autobiografisch schrijft: ‘Ik doe precies het omgekeerde: ik ontken het, ik transformeer het, of transcendeer het in een vorm.’ Barnard sluit hiermee aan: ‘Mijn werk is evenmin autobiografisch. Alle ware literatuur is transsubstantiatie.’ (p. 239)
Benno Barnard zoekt eenzame hoogtes op, verheven boven het alledaagse van onechte mensen (‘Onechte mensen bestaan uit een massa geleuter, afkomstig van sociale media, onechte mensen zijn als plaatjes, geknipt uit een tijdschrift. Echte mensen hebben eigen emoties en gedachten.’ (p. 25), afstand nemend van het gewriemel binnen onze Nederlandstalige literatuur ( ‘de onbenulligheid huldigt de onbenulligheid – dat is de literaire werkelijkheid. De weinige voortreffelijke schrijvers zijn gewoonlijk te gedistingeerd om bekroond te worden. Zie het geval Beurskens. Zie de dichter Willem van Toorn.’ – p. 120). En bovenal toont Benno Barnard zich hier weer eens de begenadigde stilist die hij altijd is geweest en gebleven. ‘Het raadsel van de anderen’ is heerlijk, overheerlijk proza dat aantoont hoe wonderwel onze taal zich leent tot het echte literaire schrijven. Barnard: ‘De rudimentaire vorm van mijn aantekeningen verhouden zich tot de gestileerde versie als het oorspronkelijke marmer tot de David.’ (p. 89) Of nog: ‘De formule van mijn werk luidt dat je de inhoud van liegen maar de stijl niet.’ (p. 81)
Nadrukkelijk aanwezig in het boek is Ann, zijn geadopteerde dochter die op 18 december 2016 omkwam in een verkeersongeval. Barnard noteert, we schrijven dan 2022: ‘Het is vandaag zes jaar geleden dat onze door de wereld dwalende Anna stierf. (…) In alles wat ik sinds 2016 heb geschreven speelt ze een bepalende rol, ook al is ze nauwelijks zichtbaar. Dat is in mijn dagelijkse leven net zo.’ (p. 138) En zowat gelijkluidend, maar even veelzeggend: ‘Haar dood is het gat in het midden van mijn leven waaromheen alles zich voltrekt.’ (p. 173), ‘Al mijn aantekeningen spelen zich op dezelfde datum af, 18 december 2016. Ik schrijf een koortsachtig dagboek over één dag.’ (p. 348) Allerminst toevallig is het dan ook dat ‘De onaanraakbare’, de gedichtenreeks waarmee het prozagedeelte hier in het boek wordt afgerond, eindigt met het titelgedicht ervan: ‘waar staat / dat we je van heel ver weg op blote voeten // naar ons toe zien lopen, en dat de lucht / warm wordt van je bewegen?.’ (p. 446)
Over zijn vrouw Joy (hij noemt haar zelf ‘Poppy, de klaproos omvat de zomer en de oorlog, de roos en de ontploffing, Sussex en Flanders, haar schoonheid en kwetsbaarheid’) weet Barnard dan onder meer het volgende te melden: ‘Intussen ken ik haar niet. Misschien is dit niet-kennen van de Ander geen obstakel maar een voorwaarde, die de verveling verdrijft en de mythe oproept. (…) Ik ontvang telkens nieuwe openbaringen en mijn mond valt telkens open bij het zien van haar Haar-zijn, dat verandert zoals een diamant verandert, licht brekend.’ (p. 281)
‘Het raadsel van de anderen’ kortom. Het is, de gedichten inbegrepen, ruim vierhonderd pagina’s lang genieten en blijvend nagenieten van de invalshoek(en) die Barnard inspireren. Zo bijvoorbeeld als hij het heeft over de negentigjarige dame in Brede ‘ die nog altijd zelf de paden korthoudt met haar maaimachine: ’Soms kom ik haar tegen op een wandeling; scoliose maakt dat ze achterover moet leunen om je aan te kijken: haar verhouding met de aarde kan in graden worden uitgedrukt.’ (p. 88)