‘Weimar is Duitsland in een notendop’, zei de christendemocratische president Werner Herzog ooit over de stad Weimar. Na de nederlaag en de vernederingen van de Eerste Wereldoorlog leek de middelgrote stad van 35.000 inwoners de ideale plaats om er de nieuwe politieke hoofdstad van het land te vestigen. De stad kon prat gaan op een aantal inwoners die tot de grootste geesten van Europa behoorden, zoals het dichtersduo Goethe en Schiller, de componisten Bach en Liszt en de filosoof Friedrich Nietzsche. Maar ook de rassenideoloog en schrijver Houston Stewart Chamberlain had er zijn vaste verblijfplaats.
In Weimar werd de nieuwe liberale grondwet van de republiek Duitsland goedgekeurd. De naam van de stad werd gekoppeld aan de eerste poging om van Duitsland een volwassen republiek te maken: de republiek van Weimar. Buiten Duitsland konden maar weinigen in 1919 de naam aanduiden op een kaart. Berlijn was immers na de oorlog te onveilig geworden. Bijna dagelijks vloeide er bloed over de straatstenen. Extreem links en extreem rechts gunden elkaar het daglicht niet, de Vrijkorpsen beheersten het straattoneel, de politie was onderbemand en niet in staat om de orde te handhaven, het straatbeeld werd gekenmerkt door bedelende en verminkte soldaten, ...
In de komende twintig jaar sprak Weimar tot de verbeelding van mensen die de democratie wilden vernietigen. In 1926 werd een van de eerste partijdagen van Hitlers partij, de NSDAP in Weimar gehouden om ‘hun’ filosoof Chamberlain te eren en te huldigen. Even later kregen de partijdagen hun definitieve vaste stek in Neurenberg.
In Weimar kreeg ook de Hitlerjugend haar naam en werd de Hitlergroet er voor het eerst massaal geïntroduceerd. De staat Thüringen, waarvan Weimar de hoofdstad was, hief na de putsch van 1923 als eerste de sancties tegen Hitler en zijn partij op. Weimar werd de bakermat van de beweging. Enkele prominente nazi’s zoals jeugdleider Baldur van Schirach en Hitlers privésecretaris Martin Bormann waren uit Weimar afkomstig. De stad bezat echter ook een triestige gedenkplaats. Op twee kilometer buiten de stad lag/ligt het concentratiekamp van Buchenwald waar vooral politieke gevangenen werden opgesloten, mishandeld en gedood. Het was een van de oudste kampen van Duitsland.
De Duitse historica Katja Hoyer schreef met haar Weimar-boek opnieuw een beklijvend boek dat leest als een trein. Zij doet dat zoals in haar vorig boek Achter de Muur. Oost-Duitsland, 1949-1990. De grote geschiedenis combineren met de verhalen van kleine mensen, die deze geschiedenis als een levenskroniek aan den lijve ondervonden. In haar nieuwste boek volgen we onder meer Roza Schmidt, uitbaatster van Hotel Hohenzollern en Elisabeth Förster-Nietzsche, de bejaarde zus van de beroemde filosoof die zijn werken herzag en lichtjes aanpaste aan haar eigen nationalistische ideeën en overtuiging. De echte hoofdrol in het boek gaat echter naar Carl Weirich, een ambachtelijke boekbinder die in 1914 op zijn 29ste verhuisde naar Weimar, en er zijn hele leven een winkel van papierwaren, boeken, pennen en typemachines uitbaatte. Vooral hield hij een zeer gedetailleerd dagboek bij dat mee Hoyers Weimar-boek vorm gaf. Ieder jaartal uit het interbellum is een hoofdstuk in het boek. De Tweede Wereldoorlog tot en met de Sovjetbezetting, en wat daarmee gepaard ging, wordt in het epiloog besproken.
Een boeiend geschreven boek om lezen. Het eenvoudig uitgegeven boek bevat een bibliografie, opeengepakte summiere eindnoten maar geen register. Dat is meteen ook de grootste handicap van het boek.