In dit boek bouwt Erik Meganck, die duidelijk beschikt over een ruime filosofische, theologische en psychologische bagage, verder aan zijn visie op de plaats van God en religie in de moderne samenleving. De auteur, goed onderlegd in deze drie disciplines, betoogt op overtuigende wijze dat zij veel van elkaar kunnen leren en elkaar niet als elkaars grootste tegenstander hoeven te beschouwen. Met zijn nieuwste boek God sluit Meganck bovendien aan bij zijn eerdere werk “Religieus atheïsme: (post)moderne filosofen over God en godsdienst”.
In de inleiding schetst Meganck wat er op het spel staat en hoe theologie en filosofie zich op een nieuwe manier tot elkaar kunnen verhouden. De godsvraag is voor hem dan ook geen louter theologische kwestie, maar evenzeer een filosofische. Hoofdstuk 1 introduceert tien centrale thema’s, terwijl hoofdstuk 2 een bespreking biedt van de moderniteit in haar vele facetten, met bijzondere aandacht voor wat de auteur drie scheuren of skandala noemt: breuklijnen die kunnen aanzetten tot verdere reflectie. In hoofdstuk 3 presenteert Meganck vervolgens vier trajecten die hij naar voren schuift als inspirerende onderzoekspaden. Hij beschouwt deze als losse draden of bouwstenen die, na de deconstructie van veel traditioneel denken over God, opnieuw kunnen worden samengebracht of opgezet tot een betekenisvol geheel. Het vierde en laatste hoofdstuk, Hoe nu? En verder?, bevat, niet geheel verrassend, een reflectie op hoe het verder moet. In dit beknopte slot van drie pagina’s brengt Meganck de belangrijkste inzichten nogmaals samen en verbindt hij die met actuele maatschappelijke ontwikkelingen.
De lijsten met vermeldenswaardige “dingen” op het einde van het boek zijn, vanuit een academisch perspectief, bijzonder opmerkelijk. Er zijn vermeldenswaardige termen (13 bladzijden), vermeldenswaardige personen (3 bladzijden) en tenslotte ook nog vermeldenswaardige teksten, een soort minibibliografie van 5 bladzijden. Ik vond het persoonlijk opmerkenswaardig, pun intended, dat er vermeldenswaardige zaken zijn. Dat impliceert om te beginnen dat er niet vermeldenswaardige personen, zaken of begrippen zijn. Ik weet niet of de auteur, die duidelijk niet voor een talig grapje verlegen zit in het boek, dit bewust zo gekozen heeft, maar er zijn, zeker over dit thema, ongetwijfeld nog meer vermeldenswaardige zaken/personen/begrippen. Wat ik persoonlijk eerder een nadeel vind, is het feit dat de lijst met vermeldenswaardige personen interessanter is dan de bibliografie. Je krijgt namelijk in de lijst met vermeldenswaardige personen een veel completer overzicht van de gesprekpartners van de auteur.
Opvallend is bovendien dat Meganck doorheen het boek geregeld stevig uithaalt naar andere denkers, soms zonder hen expliciet bij naam te noemen of hun standpunt uitvoerig toe te lichten. Je hoeft geen bewonderaar te zijn van Etienne Vermeersch of Maarten Boudry om op te merken dat beiden af en toe een veeg uit de pan krijgen. Opvallend is wel dat het voor de lezer niet altijd duidelijk wordt waar die kritiek precies vandaan komt, of waarom ze net op dat moment nodig is. Ook Herman De Dijn lijkt regelmatig het mikpunt van kritiek te zijn. Hoewel ik zelf wat van zijn werk heb gelezen, blijft het me onduidelijk waar de onderliggende spanning tussen beide denkers precies vandaan komt. Ik kan alleen maar hopen dat het hier vooral om een academische onenigheid gaat.
Meer inhoudelijk merk ik vooral op dat Meganck regelmatig de lezer het intellectuele werk zelf laat verrichten. In een filosofieboek mag er door de lezer best zelf nagedacht worden, maar je moet als auteur de lezer natuurlijk wel bij de hand nemen. Het boek voelt nog steeds een beetje aan als “author-centered” en nog niet helemaal als “reader-centered”, als is dit misschien meer een boodschap voor de uitgeverij? Als fervent lezer van de Canadese filosoof Charles Taylor ben ik best gewend aan een meanderende en zich herhalende stijl, maar de herhalingen vallen bij Meganck soms erg op en tegelijkertijd blijft de schrijfstijl toch wat hermetisch. Het leek soms alsof ik de juiste sleutel ter ontcijfering nog niet gevonden had.
Ondanks enkele kritische noten die in een recensie niet misstaan doet Meganck een zeer verdienstelijke zet om bepaalde vastgeroeste denktrant over God vrij te zetten. Dat kan alleen maar toegejuicht worden. Het boek vraagt wel enig doorzettingsvermogen, en de geheel eigen stijl van de auteur, niet vrij van ironie en woordgrapjes, doet soms ook verrassend aan. Uiteindelijk is het een geconcentreerd boek. Het vereist van de lezer een doorgezette concentratie, maar het bevat ook de geconcentreerde, als in gecondenseerde inzichten, van de auteur.