Het is altijd een plezier een boek van Toon Horsten te lezen. Als journalist en auteur hanteert hij de pen met zichtbaar gemak. Op een toegankelijke, maar tegelijk erudiete wijze neemt hij de lezer mee in het leven van de Vlaamse kapucijn, filosoof en theoloog Max Wildiers (1904-1996), die in het klooster de naam Norbertus meekreeg.
Naar aanleiding van de dertigste verjaardag van het overlijden van Wildiers heeft Horsten als redacteur van het boek verschillende auteurs samengebracht om hulde te brengen, en tevens recht te doen aan een van de meest fascinerende maar vaak wat vergeten Vlaamse katholieke denkers van de voorbije eeuw. Zoals in het boek meermaals en terecht wordt opgemerkt, overspant Wildiers’ leven haast een volledige eeuw. Het was een eeuw waarin niet alleen de wereld ingrijpende veranderingen doormaakte, maar waarin ook de Katholieke Kerk een ware rollercoaster van hervormingen, spanningen en koerswijzigingen beleefde. Van een burcht van stabiliteit en zekerheid, vaak ten koste van elke vorm van creativiteit, evolueerde ze naar het voorzichtig openen van ramen en deuren op de moderne wereld. Tegen de tijd dat die deuren daadwerkelijk openstonden, was die wereld alweer postmodern geworden en hinkte de Kerk alweer achter de feiten aan, iets wat Wildiers de Kerk onwaardig noemde.
In een eerste hoofdstuk toont Horsten de lezer hoe Wildiers een centrale rol heeft gespeeld in het verspreiden van het denken van de Franse jezuïet (en initieel door de Kerk niet bijzonder geapprecieerde) Pierre Teilhard de Chardin. Vervolgens toont emeritus-hoogleraar filosofie Guido Vanheeswijck de intellectuele evolutie van Wildiers over of door verschillende filosofische denksystemen, met aandacht voor het neoscholastieke en het process denken. Dominicaan en kerkhistoricus Anton Milh kijkt dan naar het Vlaams nationalisme van Wildiers en diens houding ten opzichte van de repressie en amnestie in België. Het interviewgesprek met filosoof en astrofysicus Gerard Bodifée (een interview afgenomen door Horsten en Vanheeswijck) toont niet alleen het belang van vriendschap, maar ook van een kritische gesprekspartner.
Sarah Vankersschaever kijkt vervolgens naar de rol van Wildiers bij ‘De Standaard der Letteren' en hoe scherpe denkers en kritische geesten kunnen bijdragen aan de culturele ontwikkeling van de lezers van “De Standaard”. Bettina Leysen sluit het geheel tenslotte af met een persoonlijke brief aan en getuigenis over haar vriendschap met Wildiers en toont zo ook zijn uitermate menselijke kant. Zoals een goede recensie betaamt, belicht ik eerst de positieve zaken alvorens over te gaan tot meer kritische bedenkingen. Het is een evenwichtig boek dat vlot leest en bovendien zin geeft om meer van Wildiers’ oorspronkelijke publicaties te (her)lezen. De meer academische bijdragen zijn degelijk, hebben een verzorgd eindnotenapparaat en zijn voorzien van een bibliografie die geïnteresseerde lezers toelaat zich verder te verdiepen in de materie. Het interview en de meer persoonlijke bijdragen geven het boek bovendien extra body and punch, met welgemeende excuses voor dat anglicisme in een recensie over iemand die zich zo verdienstelijk heeft gemaakt voor het Nederlands.
Iemands leven in herinnering brengen en hem tegelijk vieren houdt altijd het risico in te vervallen in een soort van heiligverklaring of, omgekeerd, in een academisch droog en afstandelijk relaas. Deze bundel weet die valkuilen perfect te vermijden en vindt een mooi evenwicht tussen eruditie en persoonlijke getuigenis, en tussen ernst en humor.
Er is uiteindelijk maar één fundamenteel probleem met “De ziel van de wereld” en dat is dat het te kort is. En hoewel ik weet dat volgens het aloude adagium de ware meester zich toont in beknoptheid en zelfbeperking, had dit boek van mij gerust nog enkele hoofdstukken langer mogen zijn. Een verdere reflectie op de moeilijke omgang met de katholieke kerk zou bijvoorbeeld interessante inzichten hebben kunnen opleveren. Ik denk bijvoorbeeld ook aan de ervaringen van Wildiers in de Verenigde Staten. Zijn lesopdrachten daar komen wel ter sprake, maar uiteindelijk weten we helemaal niet zoveel over wat hij daar deed en met wie hij daar contact had. Een ietwat pijnlijker punt is dat, als ik mij als hedendaags theoloog en filosoof even mag aansluiten bij Wildiers’ moeilijke verhouding tot de Kerk, een vorm van rehabilitatie van Wildiers door de hogere geestelijkheid haar gesierd zou hebben. Tenslotte, om het werk van Wildiers ook wat uit de strikt katholieke hoek te halen, zou een reflectie op zijn omgang met andersdenkende denkers (zoals Gerard Walschap of Leo Apostel) Wildiers nog meer recht aandoen en zijn originaliteit en durf nog meer in de verf zetten. Het is dan ook te hopen dat Horsten en co. de draad nog eens oppikken en een vervolg schrijven op dit uiterst lezenswaardige en onderhoudende boek. Toekomstige lezers wens ik alvast veel eruditie, devotie en vooral veel plezier.