Onteigening – het gedwongen overdragen van eigendom – wordt doorgaans geassocieerd met revoluties en dictators. Maar onteigening resulteerde ook in de afschaffing van de slavernij, de geallieerde overwinningen in de wereldoorlogen en de geboorte van de welvaartsstaat. In ‘Macht en eigendom’ biedt Nicholas Mulder ‘Een mondiale geschiedenis van onteigening’, want onteigening als historisch verschijnsel mag dan wel weinig systematisch onderzocht zijn, maar is meer dan ooit terug van weggeweest. De auteur is specialist in politieke en economische geschiedenis van de 19de en 20ste eeuw met de focus op de interactie tussen economie en geopolitiek en docent Moderne Europese geschiedenis aan Cornell University (NY). Hij publiceerde al eerder over economische sancties als wapen.
Mulder wijst in zijn inleiding op vier krachtlijnen: onteigeningen gingen uit van actoren met zeer diverse achtergronden en ideologieën, werden gangbaarder door de toenemende macht van sterker worden staten, werden vooral verfijnd in de Europese, rijke en zich industrialiserende economieën en hadden sterk uiteenlopende effecten op het kapitaal, die zowel bezitsvernietigend als bezitsverruimend konden zijn. Hij stelt dan ook dat onteigening een vitale dimensie is van de moderne wereld sinds de 18de eeuw.
Dat laat hij zien in zijn ruim zevenhonderd bladzijden tellende corpus. Deel I ‘De geboorte van het onteigeningsrecht’ beschrijft de opkomst van de confiscatoire staten in de periode van de verlichting en de Atlantische Revoluties(s) en de verschillende campagnes tegen de bezittingen van adel en kerk en tegen de slavenhandel. Deel II ‘De opkomst van de burgerlijke orde’ toont hoe Europeanen in de 19de eeuw het liberale model van eigendomsrechten in westerse stijl exporteerden naar alle uithoeken van de wereld, maar dan wel de overzeese collectieve bezittingen onteigenden. Deel III ‘De grote compressie’ laat zien hoe de wereldoorlogen, de Russische Revolutie, de Grote Depressie en het fascisme de macht van de staten tussen 1914 en 1945 gigantisch deden toenemen, maar ook leidden tot de grootste nivellering in eeuwen. Deel IV ‘Het hoogtepunt’ bespreekt hoe de Tweede Wereldoorlog wereldwijd een zeer diverse onteigeningsgolf in gang zet, zowel in Europa met allerhande nationalisaties als in de buiten-Europese wereld met de dekolonisatie. Deel V ‘Nieuwe impulsen’ onderzoekt hoe het neoliberalisme de confiscatoire staat tijdelijk in diskrediet bracht, maar deze evolutie werd uitgedaagd door Oost-Aziatische en Midden-Oosterse modellen van staatskapitalisme en hoe in het kielzog van de financiële crisis van 2008-2010 onteigeningstendensen terugkeren in onze wereld. In het nawoord wijst Mulder er nogmaals op dat onteigening voor veel verschillende doeleinden kan worden ingezet, dat het een cruciale rol speelde op weg naar een meer egalitaire samenleving en tot slot dat in de toekomst onteigening beslist zal blijven bestaan, maar nieuwe vormen zal aannemen.
Mulder biedt een indrukwekkende politiek-economische geschiedenis in een mondiaal perspectief en verwerkte een enorme hoeveelheid studies. Het boek vraagt wel om een aandachtige lectuur van de lezer, maar die wordt dan ook beloond met verrassende inzichten. Zwart-wit tabellen, figuren, illustraties en kaarten in de tekst en achteraan een honderddertig bladzijden noten vervolledigen deze grondige economisch-historische studie.