Hieronder vindt u de jongste recensies. Selecteer een genre, vervolgens selecteer de recensie die u wenst u te bekijken en klik tenslotte op 'Lees recensie'.
Met zijn korte roman ‘In goede en kwade dagen’ neemt Stefan Brijs afscheid van zijn moeder. Op een ingehouden manier, ver weg van elke vorm van sentimentaliteit, schetst Brijs een ontroerend portret van de vrouw die hij zelf, net als zijn vader, nooit echt heeft kunnen doorgronden. De emoties die gepaard gaan met het verlies, blijven grotendeels verborgen achter het scherm van objectiviteit die Brijs in zijn taalgebruik optrekt. Zo lezen we al in de aanvangsbladzijden over haar: ‘Ingeschreven in S. op 28 maart 1945. Uitgeschreven in G. op 7 mei 2021. Zesenzeventig jaren. Zo voorbij.’ Behoedzaam cirkelend rond haar laatste levensjaren, waarin zowat alle aandacht uitgaat naar haar strijd tegen kanker, legt Brijs bloot wat haar leven heeft bepaald. Bij haar geboorte werd ze afgestaan aan de nonnen, omdat haar vader als collaborateur was opgepakt en het gezin in totale armoede dreigde te verzinken. Daarbij komt het feit dat ze geboren werd ‘met een complete dubbelzijdige lip-, kaak- en gehemeltespleet, de ernstigste vorm van een schisis. Dat woord gebruikte echter niemand in die tijd. Een hazenlip – dat zei iedereen.’ Dat zal alles bijeen hebben bijgedragen tot het weinig positieve zelfbeeld dat zijn moeder haar hele leven heeft meegedragen. Zeventig is ze als ze heel uitzonderlijk haar gemoed openstelt voor haar zoon en moet bekennen dat zij haar man niet (meer) kan geven wat hij wil. Voor de zoon is het duidelijk: ‘Ik was er vrijwel zeker van dat ze dit bedoelde: hoe kan hij van mij houden als ik niet een van mezelf kan houden?’ Het is een bedenking die diepe sporen nalaat, bij de zoon én bij de lezer: hoe alleen heeft de moeder altijd gestaan in haar leven. Nadrukkelijk staat Brijs ook stil bij de figuur van zijn vader. Hoe die bijvoorbeeld het woord ‘dood’ niet over lippen kreeg na het overlijden van zijn vrouw en vrienden en familieleden zo op de hoogte bracht: ‘Ze is niet meer.’ En verder: hoe zijn vader, nu zijn wereld wankelde, zich bleef vastklampen ‘aan de gebeiteld structuur van zijn dagen’, van het televisiekijken tot het bad dat hij altijd op zaterdag neemt. Even aangrijpend in de beschrijving van het ziekteproces en de langzame aftakeling van zijn moeder is de manier waarop de beide echtelieden zwijgen tegenover elkaar. Waar niet over gesproken wordt, gebeurt of bestaat niet echt. Wat de dokters hun hebben gezegd, komt de zoon nooit echt te weten. En eens het ziekteproces onomkeerbaar is gebleken en hulp van buitenaf echt nodig is, weigert de vader die lange tijd, ‘dat zou hij waarschijnlijk als een nederlaag hebben ervaren. Hij was nog van de generatie die trouwde met de belofte zorg voor elkaar te dragen in goede en kwade dagen.’ Veelzeggend is in dit licht het korte slotdeeltje van het boek: de schrijver ziet in een droom zijn moeder terug. Zij neemt hem mee naar de slaapkamer van zijn vader en wijst hem erop dat zij nu in het vouwbed slaapt naast zijn bed. Of: hoe zij nu voor hem zorgt.
kunsttijdschriftvlaanderen.be gebruikt technische cookies die noodzakelijk zijn voor de werking van de website.