Tijdens de lectuur van ‘Flaneren moet je leren’ moest ik op meer dan één moment terugdenken aan de bekende negende satire van Horatius, die aanvangt met dit vers: ‘Ibam forte via sacra, sicut meus est mos, nescio quid meditans...’. Het is ook wat Christiaan Weijts blijvend doet, maar dan niet zozeer ‘zonder echt erbij na te denken (‘het ‘nescio quid meditans’ van Horatius), maar veeleer met alle zintuigen gericht op wat hem tijdens zijn wandeltochten (zelf spreekt hij van ‘dwaaltochten’) opvalt en hieraan aansluitend inspireert om er ook te gaan over schrijven. Het lijvige boek ‘Flaneren kun je leren’ brengt de stukjes bijeen die Weijts tussen 2018 en 2025 publiceerde in NRC, De Groene Amsterdammer en Den Haag Centraal. De titel van zijn boek houdt meteen een vingerwijzing in: alluderend op de idee die hij op de slotpagina aanreikt en die hij ontleent aan Cees Nooteboom komt het erop aan het flaneren, het doelloos rondslenteren, weer in ons leven te integreren zonder dat we ons erover schuldig hoeven te voelen. Dit sluit naadloos aan bij het ‘Vooraf’ waarin Weijts het flaneren omschrijft als ‘een scala van activiteiten en praktijken die ingaan tegen de tijdsgeest van efficiëntie, productiviteit en nut’. Of: de ‘utipro’-maatschappij waarover Ward Ruyslinck het al had in zijn roman Het reservaat’ uit 1964. Weijts heeft het zelf in de ondertitel van zijn boek over ‘essays op locatie’. Met het gekende Googleteken dat de locatie aangeeft waar iemand zich bevindt, wordt ieder apart hoofdstuk aangeduid, van ‘straat’ tot plein’, ‘winkelcentrum’, ‘museum’….. Het zijn de vertrekpunten voor de bedenkingen die Weijts aansluitend formuleert. In hun onderlinge samenhang hangen ze een beeld op van onze hedendaagse samenleving. Heel vaak heb ik tijdens mijn lectuur van ‘Flaneren kan je leren de boeiende ideeën aangestipt die Weijts naar voren brengt. Hij heeft het onder meer over de ‘paradox van de authenticiteit’ (over de volautomatische camera’s waarmee we tegenwoordig een levensechte kopie van de realiteit maken, maar daarbij uit het oog verliezen dat beelden pas levend en authentiek worden als ze iets onbeholpens hebben). Of over de ’reviews’ die te pas en te onpas en over alles waar we mee te maken hebben een ‘visie’ moeten vertolken, maar: ‘strenge sterretjes fnuiken het creatieve experiment en persen de improvisatieruimte samen tot de smalle mal van de mainstream’. Het stukje dat mij het meest aanspreekt binnen het rijke geheel van dit boek is ‘Het infrarood van de taal’. Daarin betoogt Weijts dat ‘onze ervaringswereld afgestompt raakt door informatieve taal, platte kantoor- en vacaturetaal, bestuurderstaal, primair bestemd voor rationeel verkeer, ontzield als handleidingen in Google Translate.’ Er is meer, zoveel meer: ‘Onvertaalbare woorden hebben op zijn minst de illusie dat het taal is die die zijn ziel nog niet verkocht heeft. (…) Het onvertaalbare verfrist onze creativiteit.’ Even verfrissend zijn over het algemeen de stukjes die hier bijeengebracht werden. Christiaan Weijts weet raak te formuleren, zonder daarbij een belerend toontje aan te slaan, maar telkens weer uitnodigend tot nadenken. Over de herinnering bijvoorbeeld: ‘het herinneren, voorheen een grillig proces van innerlijke associaties, schuift op naar iets externs: het openen van bestanden.’ En hieraan aansluitend: ‘alles is spectaculair, megatof, episch. We verkiezen de hyperbool en de permanente overdrive juist omdat we zo verdomd weinig meer voelen.’
‘Flaneren kun je leren’ lees je niet in één ruk door. Zowat elk stukje erin nodigt uit tot stilstand in het (over-)denken. De paradox van het geheel: beweeg, slenter rond, flaneer, maar verlies niet uit het oog dat ook het halt houden bijzonder zinvol is en aangewezen.