Hieronder vindt u de jongste recensies. Selecteer een genre, vervolgens selecteer de recensie die u wenst u te bekijken en klik tenslotte op 'Lees recensie'.

Zoeken  Genre 

 TitelAuteurDatum
Paleis Het Loo. Een koninklijk huis Anne-Dirk Renting (red.) 24/06/2022
Handboek Charles Ducal Anneleen De Coux & Carl De Strycker (red.) 24/06/2022
De hemelschijf van Nebra. Op zoek naar een verdwenen beschaving in het hart van Europa Harald Meller en Kai Michel 24/06/2022
Buitenleven Nina Polak 24/06/2022
Van Rysselberghe Ronald Feltkamp 24/06/2022
School voor zotten (vert. Gerard Cruys; nawoord Maxim Osipov) Sasja Sokolov 24/06/2022
Schaduwlicht Petra Thijs 24/06/2022
Branco & Julia Gert-Jan van den Bemd 24/06/2022
Beminde vriend. Brieven aan Luuk Gruwez 1977-2002. Bezorgd en toegelicht door Hannah Debyser Eriek Verpale 23/06/2022
Verworteling. Wat we de mens verplicht zijn Simone Weil 23/06/2022
Hebben en Zijn Dimitri Verhulst 23/06/2022
Honger (vert. en naw. Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders) Knut Hamsun 23/06/2022
Vervanging Tor Ulven 23/06/2022
Besloten stad Jos Pierreux 23/06/2022
Jan en Hubert van Eyck geboren in Bergeijk Lucas van Dijck 23/06/2022
De tijdontkenner Ilse Ceulemans 23/06/2022
De Perzen. De tijd van de Grote Koningen Lloyd Llewellyn-Jones 09/06/2022
De Russische Krim. Geschiedenis van een betwist schiereiland Emmanuel Waegemans 09/06/2022
De achterkant van de bevrijding. Schrijvers tussen angst en onafhankelijkheid in de Tweede Wereldoorlog Bertram Mourits 09/06/2022
Schildmaagd. De onbeschreven geschiedenis van krijgsvrouwen in de Vikingtijd Nancy Marie Brown 09/06/2022
12345678910...Laatste

Verworteling. Wat we de mens verplicht zijn

Simone Weil
Verworteling. Wat we de mens verplicht zijn
IJzer, 2022, 304 blz., EUR 25,00
ISBN: 9789086842551

In haar korte leven trekt Simone Weil (1909-1943) een blijvend spoor in de geschiedenis van de filosofie. Het werk van deze joodse intellectueel wordt tegenwoordig weer gretig gelezen en vertaald. Weil is tegelijk een mystieke en politiek geëngageerde denker. Haar activisme blijkt onder andere uit de periode waarin ze als ongeschoolde arbeider werkt in drie verschillende fabrieken van zware industrie.” Verworteling” (L'enracinement) geldt als haar filosofisch testament. Ze begint eraan als ze in 1942 opnieuw naar Londen verhuist, nadat ze eerder met haar familie naar Amerika is gevlucht voor de nazi's. “Verworteling” zal postuum verschijnen. In 1943 overlijdt Weil aan de gevolgen van ondervoeding en tuberculose.
Jan Mulock Houwer biedt “Verworteling” aan in een eerste integrale Nederlandse vertaling. Hij doet dat in vier delen die, waar nodig, voorzien zijn van een aantal nieuwe opdelingen om de leesbaarheid te verhogen. Joke J. Hermsen biedt de lezer een kompas doorheen het betoog van Weil in de vorm van een deskundig nawoord.
In “Verworteling“wijst Weil op het onderscheid tussen een mensenleven dat zich bezighoudt met vragen naar wat het betekent om mens te zijn met en voor medemensen, en een leven dat zich daar niet mee bezighoudt – p. 95: "Er zijn maar twee soorten grootsheid: de authentieke grootsheid en de oude leugen van de verovering van de wereld. Die verovering is het surrogaat van de grootsheid. De eigentijdse vorm van authentieke grootsheid is een beschaving die gevormd is door de spiritualiteit van de arbeid." De verplichting om, via de arbeid inderdaad, de medemens het recht op een waardig leven toe te kennen gaat vooraf aan elke poging die verplichting te concretiseren (in een rechtssysteem bijvoorbeeld). Ze gaat ook vooraf aan elke wilsbeschikking. In die zin, stelt Weil, is de verplichting van de mens tegenover zichzelf en zijn medemens absoluut transcendent en universeel, verwant aan wat Emmanuel Levinas (1906-1995) het ethisch appel noemt. De mens kan weliswaar die verplichting niet erkennen en er niet op ingaan, maar hij kan het bestaan ervan niet tenietdoen – p. 225: "De structuur van het menselijk hart is evenzeer een werkelijkheid onder de realiteiten van het universum, als de baan van een ster. De mens is niet bij machte om elke vorm van rechtvaardigheid uit te sluiten van de doelstellingen die hij aan zijn handelen toekent. Zelfs de nazi's hebben dat niet gekund. Als dat menselijk al mogelijk zou zijn, dan hadden zij dat zeker gekund." 
Kortom, de mens bezit altijd het (niet zelf gekozen) vermogen om de vraag te stellen hoe hij zichzelf en zijn medemens een waardig leven kan geven, zelfs als hij die vraag niet stelt. Of zelfs als die vraag verdonkeremaand wordt in een systeem als het nazisme, dat gericht is op machtsuitbreiding ten koste van de ander. Het vermogen om de vraag naar het goede te stellen voorbij wat nuttig of "goed" is voor machtsuitbreiding, eerzucht, geldgewin of genotsdrang beantwoordt, in de termen van Weil, aan de behoeften van de ziel. Die zijn even reëel als fysieke behoeften. De mens kan eraan verzaken zijn ziel te voeden, zoals hij er ook aan kan verzaken zijn fysieke noden te bevredigen, maar hij kan niet ontsnappen aan die behoeften. Weil bespreekt de behoeften van de ziel in paren van paradoxale tegenstellingen (tussen bijvoorbeeld vrijheid en gehoorzaamheid begrepen als instemming). Daartussen vindt de ziel, verlangend naar het goede aan gene zijde, een balans. 
De daadwerkelijke bekommernis om het goede – dat tot geen enkel vergankelijk systeem te herleiden valt –, geeft voeding aan de ziel. Ze geeft richting aan elke menselijke onderneming, of die nu wetenschappelijk, politiek, economisch of religieus is. Ze moet volgens Weil ook telkens opnieuw gevormd worden, juist omdat het goede tot geen enkele van die ondernemingen te herleiden valt. Die blijvende zoektocht resulteert evenwel in een waarachtig spiritueel leven en een permanente hoop – p. 20: "Als we ons zonder ophouden het idee van een bestaande menselijke orde voor ogen kunnen houden en als we eraan denken als een doel waaraan we zo nodig totale overgave schuldig zijn, dan zullen wij zijn als iemand die zonder gids in de nacht loopt, maar daarbij voortdurend denkt aan de te volgen richting. Zo'n reiziger kent een geweldige hoop. Deze orde is de eerste van de behoeften van de ziel en staat eigenlijk boven de behoeften als zodanig."
Weil laat zien hoe een samenleving die geen voeding geeft aan de behoeften van de ziel leidt tot vormen van vervreemding bij de mens. De mens die niet langer betrokken is op de werkelijkheid omwille van de werkelijkheid zelf, en zijn vermogen tot liefde niet aanspreekt, vervalt in valse vormen van transcendentie en idolatrie, alsook in totalitaire neigingen. Weil geeft daarvan veel concrete voorbeelden, in verschillende domeinen. Zo heeft ze het over onderwijs waarin een kind eerder beloningen zoekt voor het verwerven van kennis dan het verwerven van kennis zelf. Of over academische carrières die wetenschapsbeoefening tot een middel maken om sociaal prestige te verwerven in een nietsontziende concurrentiestrijd, onderhevig aan maatschappelijke modes. Of over geschiedschrijving die verwordt tot propagandamiddel van een blind nationalisme, waarbij de cultuur van veroverde en gekoloniseerde volkeren wordt vernietigd. Ze waarschuwt ook tegen onwaarachtige vormen van religiositeit, waarbij bijvoorbeeld louter politieke of economische bekommernissen de plaats innemen van een liefde die zulke bekommernissen overstijgt en richting geeft. Zeer specifiek wijdt Weil enkele hoofdstukken aan vormen van vervreemding bij de fabrieksarbeider en de landbouwer naarmate ze gedwongen worden om meer aandacht te schenken aan kapitaalvergroting en gebiedsuitbreiding dan aan de mensen voor wie hun arbeid bestemd dient te zijn. Telkens weer pleit Weil voor de verworteling van gelijk welke menselijke activiteit in een verplichting tot het goede die "van buiten" de mens komt, en paradoxaal genoeg juist daardoor de mens tot zichzelf laat komen – p. 17: "Daarom zijn we een korenveld respect verschuldigd. Niet voor dat veld op zich, maar omdat het voedsel voor mensen is."
Vooral in de laatste delen van het boek zoekt Weil concrete manieren om voeding te geven aan de ziel. Ze ziet het onderwijs daarin een bijzondere rol spelen, met een kritische maar noodzakelijke benadering van het verleden, en een religiestudie die de gevoeligheid voor de universele vraag naar het goede aanscherpt. In dat verband schrijft ze – p. 215 "Er is geen andere manier van werken voor het opdoen van kennis van het menselijk hart dan studie van de geschiedenis; en dat samen met levenservaring en wel op zo'n manier dat ze elkaar wederzijds verduidelijken. We zijn verplicht dat als lesmateriaal te geven dat voedend is voor het brein van zowel tieners als volwassenen. Maar het moet een hoog voedings- en waarheidsgehalte hebben. Niet alleen moeten de feiten, voor zover verifieerbaar, kloppen, maar ze moeten in perspectief gebracht worden in hun werkelijke verhouding ten opzichte van goed en kwaad."
Nadrukkelijk wijst Weil erop dat de keuze voor zogezegd neutraal, waardenvrij onderwijs eigenlijk niet neutraal is. Dat soort onderwijs levert zich immers over aan de modieuze grillen van een bepaalde tijdsperiode, en verliest haar kritisch potentieel. Daardoor ontstaan nieuwe vormen van ontworteling, en het onderwijs dient die tegen te gaan door interesse te faciliteren voor de werkelijkheid voorbij allerlei "bijbedoelingen", want – p. 53: "Wie ontworteld is, ontwortelt anderen. Wie geworteld is, ontwortelt anderen niet." Onderwijs dient ruimte te geven aan wat Weil "waarheidsliefde" noemt – p. 234: "De waarheid is de glans van de werkelijkheid. Het voorwerp van liefde is niet de waarheid, maar de werkelijkheid. De waarheid verlangen is verlangen naar een direct contact met de werkelijkheid. Een contact met een werkelijkheid verlangen is die liefhebben. Men verlangt slechts naar de waarheid om in waarheid lief te kunnen hebben. Men verlangt de waarheid te leren kennen van wat men liefheeft. In plaats van over waarheidsliefde kun je beter spreken over een waarheidsgeest in de liefde. De echte en zuivere liefde verlangt altijd en vóór alles volledig en onvoorwaardelijk in de waarheid te blijven, wat die ook inhoudt." Vanuit dergelijk verlangen wordt de scheidingslijn tussen waarachtige wetenschapsbeoefening (niet als middel tot iets anders dan het leren kennen van de werkelijkheid) en authentieke religie (niet als middel om particuliere, gesloten identiteiten te creëren) opgeheven – p. 242: "De wetenschapper heeft als uiteindelijk doel de vereniging van zijn eigen geest met de mysterieuze wijsheid die tijdloos in het universum verankerd ligt. Dus hoe zou er een tegenstelling of zelfs maar een scheiding kunnen zijn tussen de geest van de wetenschap en die van de religie? Het wetenschappelijk onderzoek is niet anders dan een vorm van religieus schouwen."
“Verworteling” is een profetisch boek. Het biedt een diagnose van maatschappelijke ontwikkelingen die niet zijn gestorven met de totalitaire regimes van de twintigste eeuw. De ontworteling die een voedingsbodem biedt voor totalitaire tendensen is niet verdwenen, wel integendeel. De overwegingen van Simone Weil worden met de dag urgenter. “Verworteling” is noodzakelijke lectuur.

[Erik Buys - 23/06/2022]